De mist en de diepte

De weg kronkelt omhoog alsof hij zich niet wil laten vinden. Links niets dan mist, rechts een rotswand die glinstert van het water dat er langzaam vanaf druipt. Mijn handen klemmen zich steviger om het stuur terwijl het ritmische piepen van de ruitenwissers me scherp houdt. In de auto is het stil.

Dan verschijnt er plotseling een haarspeldbocht.

En daar, recht voor mij, komt een auto naar beneden gereden.

Er is maar één rijbaan.

Mijn adem stokt. Heel voorzichtig zet ik de auto in zijn achteruit. Mijn voet trilt op de rem terwijl ik centimeter voor centimeter achteruitrijd. Eén verkeerde beweging en we glijden zo de afgrond in. Ergens ver beneden hoor ik een koe loeien. Of beeld ik me dat alleen maar in?

Uiteindelijk halen we het. We zijn boven.

Even is het stil in de auto. We kijken elkaar aan en schieten opgelucht in de lach. Soms heb je geen woorden nodig om te weten dat je allebei precies hetzelfde voelt.

We parkeren de auto en lopen het bos in. De stammen van de bomen lijken zich eindeloos omhoog uit te strekken, als wachters van een vergeten sprookjesrijk. Alles is stil. Zelfs de vogels lijken te zwijgen. Heel even voelt het alsof ik ieder moment Claire Fraser uit Outlander tussen de bomen vandaan zie lopen.

Nadat we het bos hebben bewonderd, stappen we opnieuw in de auto en rijden we naar de natuurlijke zwembaden in de oceaan.

"Veilig," zeggen ze. Er is toezicht en de basaltstenen vormen een natuurlijke kom in het ruige water van de Atlantische Oceaan.

We ontspannen.

Tot de oceaan besluit ons eraan te herinneren wie hier werkelijk de baas is.

Vanuit het niets werpt een enorme golf zich over de rand van het bassin. In een fractie van een seconde verandert rust in complete chaos. Handdoeken, slippers en tassen worden meegesleurd door het water. We glijden uit, slaan tegen de rotswand en voelen de kracht van de oceaan die geen enkele waarschuwing nodig heeft.

Mijn knie ligt open en het bloed kleurt zich langzaam in het water, terwijl de golven onverminderd blijven beuken.

We grijpen naar onze spullen, maar vooral naar elkaar. Alles is nat. Alles doet pijn. Uiteindelijk kruipen we bibberend naar de kant. Koud, bebloed en vooral ontzettend opgelucht dat we weer veilig op het droge zitten.

De volgende dag stappen we opnieuw in de auto. Dit keer op weg naar de beroemde 25 watervallen.

We wandelen, klimmen en zoeken onze weg over gladde stenen en modderige paden. Iemand glijdt uit. Ik hoor een gil en zie hoe een wandelaar naar beneden valt. Mijn benen trillen. Van inspanning misschien, maar eerlijk gezegd vooral van angst. De lucht ruikt naar regen, mos en natte bladeren.

En dan breekt het landschap open.

Een muur van water verschijnt voor ons. En nog één. En nog één.

Vijfentwintig watervallen storten zich naar beneden alsof de hemel zelf is opengegaan. Het geluid van het vallende water vult het dal en laat ons plotseling heel klein voelen.

Op zulke momenten besef ik dat de natuur zich niets aantrekt van onze plannen, onze haast of onze behoefte aan controle. Zij bepaalt het tempo. Zij bepaalt wanneer je stil moet staan, wanneer je moet omkeren en wanneer je simpelweg alleen maar mag kijken.

En ineens weet ik het zeker.

Hier hoor ik misschien niet thuis, maar juist daarom voel ik me er zo levend.

Previous
Previous

Als de stad even stil valt

Next
Next

De man die de stad vergat